Ontmoet onze onderzoekers #1

Rody Blom deed onderzoek in 48 experimentele vijvers

Bij het CML doen elk jaar verschillende studenten een onderzoeksstage, zowel bachelor als masterstudenten. Het CML houdt zich al jaren bezig met de effecten van chemische stoffen op levensgemeenschappen in de natuur. Dit doen we onder andere door onderzoek te doen in mesocosms: experimentele vijvers waarin een gemeenschap van dieren en meer gecreëerd kan worden. Master student Rody Blom heeft meegewerkt aan een onderzoek in mesocosms. Het blijkt dat het een heel werk is zoiets op te bouwen, maar de resultaten kunnen verrassend zijn!

Rody Blom studeert aan de Universiteit Leiden en volgt de studie Biologie (master Evolution, Biodiversity and Conservation). Tijdens zijn bachelor heeft hij de minor Sustainable Development gevolgd, wat gegeven wordt door het Centrum voor Milieuwetenschappen (CML). In het voorjaar van 2016 heeft Rody stage gelopen bij het CML onder begeleiding van Henrik Barmentlo, Kees Musters en Martina Vijver. Rody heeft samen met zijn begeleiders experimenten gedaan in mesocosms: experimentele vijvers waarin een gemeenschap van dieren en meer gecreëerd kan worden. Wij stelden hem wat vragen.

 Wat vind je zo leuk aan milieubiologie?

“Ik ben vooral geïnteresseerd in menselijke impact op de natuur en de effecten daarvan. Het werken met ecologie vind ik interessant en het fijne van milieubiologie is dat het toegepast is. Je hebt het idee dat je met iets bezig bent dat ook direct toepasbaar is. Het is niet per se zo fundamenteel onderzoek als bij veel andere onderzoeksinstituten. “

Waarom hebben jullie onderzoek gedaan in mesocosms?

“Het is heel goed om directe effecten van stoffen te kunnen waarnemen in een laboratorium, maar het is helemaal niet te vergelijken met wat je in de natuur tegen komt. Een mesocosm is dan nog niet de echte natuur, maar er zijn wel allerlei processen gaande die je in een laboratorium niet kunt zien. Dan kun je kijken hoe de verschillende stoffen op meerdere punten in het voedselweb aangrijpen. In plaats van een direct effect op een enkel beestje.”

Hoe maak je zo’n mesocosm?

“De mesocosms hebben we zelf opgebouwd. Daarvoor hadden alleen een stukje lege grond in de Hortus (Botanicus in Leiden). De bakken moesten diep in de grond worden gegraven, zodat ze niet oververhit zouden raken door de zon. Dat was veel fysiek werk; 48 emmers van elk 65 liter ingraven. Om de omgeving in de bakken op een sloot te laten lijken hebben we zand en hooi op de bodem gelegd. Daarna hebben we de bakken gevuld met gefilterd slootwater. Vervolgens konden we de dieren toevoegen. De verschillende diersoorten hebben we zelf in de natuur gevangen, uit laboratorium kweken gehaald of gekocht in de dierenwinkel. Toen alle dieren in de mesocosms zaten, hebben we verschillende combinaties van bestrijdingsmiddelen aan het water toegevoegd. Dat was in hoeveelheden die ook in Nederlandse wateren te vinden zijn om het resultaat representatief te houden. “

Welke diersoorten leefden in de mesocosms?

“Van tevoren hebben we bedacht welke dieren in het voedselweb moesten voorkomen. In elke mesocosm werden dezelfde negen soorten gedaan, zoals watervlooien, poelslakken, haftenlarven en wantsen. Allen zijn veelvoorkomende soorten in Nederlandse wateren. Ze hebben allemaal hun eigen rol binnen het voedselweb. Sommigen eten andere dieren, anderen algen en weer anderen voeden zich met materiaal op de bodem. Sommige soorten wisselen ook van voedselbron. Wantsen zijn bijvoorbeeld roofdieren, maar als er geen prooien zijn, gaan ze algen eten. Die verschuivingen komen ook in de echte natuur voor, dat maakt dat er zoveel interacties tussen soorten zijn.”

Hoe lang heeft het experiment geduurd?

“De mesocosms hebben we vijf weken laten staan. Tussendoor deden we wel metingen om de waterkwaliteit in de gaten te houden. Doordat de bakken zo donker waren, was het moeilijk om te zien wat erin gebeurde. Als je geluk had kon je een slak aan de kant zien zitten. Het was dus echt spannend wat we na die vijf weken in de bakken zouden aantreffen.”

En toen de vijf weken om waren?

“Na het experiment hebben we al het water gezeefd. We hebben alle soorten terug kunnen vinden, maar niet alle individuen. Dit kwam natuurlijk doordat dieren werden opgegeten door roofdieren, maar ook door de bestrijdingsmiddelen die we in de mesocosms hebben gedaan. Van de bijvoorbeeld zestig haftenlarven die we in de mesocosms met insecticide hebben gedaan, hebben we er maar twee terug gevonden. En diegene die we hadden terug gevonden, waren kleiner dan die in mesocosms zonder insecticide. De haften waren super gevoelig voor dit insecticide, in het laboratorium vinden we hiervoor dezelfde resultaten. We zaten ook ver boven hun dodelijke dosis, maar deze concentratie wordt gewoon in Nederlandse sloten gevonden. Maar niet alle soorten hadden last van het insecticide, zoals de watervlooien. Dat maakt het ook interessant dat je tegelijk al die soorten test, zo zie je dat er veel verschil is.”

Zijn de mesocosms met de echte natuur te vergelijken?

“Gedeeltelijk, het is natuurlijk al meer de natuur dan een laboratorium, maar nog niet helemaal. Wat ik vooral miste is dat je begroeiing van planten in de mesocosms ontbrak. Zo konden bijvoorbeeld prooidieren maar moeilijk schuilen. En in een mesocosm is het nog steeds een hele kleine selectie aan soorten, in een echte sloot zit nog veel meer. Ook zijn mesocosms gesloten systemen, het is niet de bedoeling dat er dieren in of uit zouden gaan, daarom werd over elke mesocosm een net gespannen. Zo voorkom je dat andere dieren het voedselweb verstoren, maar in een natuurlijke situatie gebeurd dit natuurlijk wel. Met het Levend Lab heb je dat je echt in de natuur onderzoek gaat doen. De mesocosms zijn eigenlijk een stapje tussen het laboratorium en de echte natuur in.”

 Hoe kijk je terug op je stage bij het CML?

“Ik kijk er heel goed op terug. Vooral de combinatie van lab en buitenwerk vond ik leuk. En dat we met zijn allen samenwerkten. Zo onderzocht ik vooral de grootte van de dieren in de mesocosms, anderen waren weer bezig met bioturbatie (omwoeling van de bodem) en anderen met technieken om te achterhalen wie wie gegeten had. En met het leeghalen van de mesocosms hebben ontzettend veel CMLers meegeholpen, zelfs mensen uit een compleet ander veld. Iedereen heeft keihard doorgewerkt.”

 Ga je verder met dit onderzoek?

“Door mijn stage bij het CML ben ik in contact gekomen met waterkwaliteit en waterdieren en dat is me goed bevallen. Ik hoop zelf verder te gaan met aquatische biologie en milieubiologie. Ik ben nu een volgende master stage aan het zoeken, maar ik begin volgende week eerst met een nieuwe mastercursus van het CML”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s